Geschreven in 2017
Iedere dag zit ik daar, op precies dezelfde plek. Niemand kent mijn naam en niemand weet waar ik vandaan kom, maar iedere dag zit ik voor het eenmanszaakje van Van Zaanen. Ik heb hier zelden iemand gesproken.
Iedereen in het dorp kent Van Zaanen echter wel. ‘Frankie’ wordt hij ook wel genoemd. Frankie van Zaanen verkoopt in zijn winkel tweedehandsspullen. Hij is allang gepensioneerd, maar doet dit er nog graag bij.
Hij begint vaak al vroeg in de ochtend, ook in het weekend. Zijn zaterdagen kan hij tegenwoordig echter nauwelijks meer van elkaar scheiden; die lijken allemaal teveel op elkaar. Om acht uur ’s ochtends komt Frits binnen.
‘Goedemorgen Frankie.’
‘Goedemorgen Frits.’
‘Doe mij drie volkoren.’
‘Frits, hoe vaak moet ik dit nou nog zeggen? Ik verkoop geen brood.’
‘Och ja, da’s waar ook. Nou, houdoe war.’
‘Houdoe Frits.’
Dan loopt Frankie wat rond in zijn winkel en zet de spullen in de schappen recht. Zo geeft hij zichzelf iets te doen en sterft hij niet aan de vervelingsdood. Rond negen uur komt mevrouw Sippema binnen, een oudere vrouw die altijd dezelfde dikke winterjas draagt, een zonnebril op heeft en heel sterk ruikt. Iedere keer dat ze langskomt, vraagt ze of er nog iets nieuws in het assortiment is.
‘Is er nog iets nieuws?’
‘Nee.’
‘Oké, jammer. Nou, doeg!’
‘Dag, mevrouw Sippema.’
Daarna kijkt hij achter de toonbank televisie op een kleine beeldscherm – van ik schat twintig jaar oud – naar een herhaling van een talkshow die hij de avond ervoor ook nog heeft gezien.
Vanaf zo ongeveer twaalf uur komen de toeristen binnen die het dorp bezoeken. ‘Leuk winkeltje dit, zeg! Wat authentiek allemaal,’ is een zeer specifieke zin die ik toch enorm vaak hoor van verschillende bezoekers. Soms is de vorm iets anders, maar de essentie blijft hetzelfde. Ze kopen echter zelden iets. ‘Oh, tweedehands? Wat gaaf! Ik loop even ergens anders naar binnen, maar ik kom op de terugweg nog wel langs,’ is dan dus ook zo’n zin die ik in essentie veel hoor.
Zijn vrouw is overigens nooit in de winkel; die is dan ook al jaren dood, heb ik gehoord. Ze kwam ooit om in een auto-ongeluk. Hij is daar nooit overheen gekomen en nog altijd staat er een foto van haar op zijn toonbank. ‘Truus…,’ hoor ik hem weleens zeggen, meestal de foto strelend. Ik zou zo graag willen weten wat hij dan denkt.
Als je een hele dag buiten zit, verbaas je je over hoeveel mensen er zo enorm op elkaar lijken. Daarom snap ik dat begrip liefde ook niet; als ze allemaal zo op elkaar lijken, waarom dan tóch die ene? Wat is nou het wezenlijke verschil met die andere? Uiterlijke kenmerken kan ik begrijpen, maar buiten dat lijken veel mensen qua innerlijk volgens mij ook allemaal best veel op elkaar.
Ik moet erbij vertellen dat ik zelf nooit verliefd ben geweest, laat staan dat ik ooit een geliefde ben verloren, zoals Frankie. Aan de ene kant zou ik willen weten hoe die liefde voelt, aan de andere kant zou ik bang zijn dat, als ik het weten zou, ik erachter zou komen wat ik al die tijd gemist heb.
Tegen vijf uur begint hij met het sluiten van zijn winkel. Soms druppelen er nog wat mensen binnen, maar die kopen meestal ook niets. Om zes uur doet hij de deur achter zich dicht. Dan richt hij zich naar mij. Vaak aait hij me over mijn bol, maakt hij me los en geeft hij me een koekje. Daarna lopen we samen naar huis.