Ze is me op komen halen van het vliegveld. Ik ben een uurtje geleden geland met een vliegtuig uit Manchester, waar ik studeer. Voor twee weken ben ik terug in Nederland vanwege een aantal afspraken dat ik hier heb.
‘Something new is happening’, lees ik op een van de billboards langs de snelweg. Ik mompel het binnensmonds.
‘Wat?’ vraagt ze, waarbij ze kort naar me kijkt. Het verrast me dat het haar überhaupt opviel dat ik iets zei. Ze heeft twee handen om het stuur geklemd en haar donker geblondeerde haren wapperen door de wind terwijl we met meer dan honderdveertig kilometer per uur in de rode cabriolet van haar vader over de weg scheuren. Ze heeft een grote zonnebril op en er bungelen een stuk of zeven armbanden aan iedere arm.
‘Oh niks, ik zag een reclame’, roep ik.
‘Wat?’
‘Een reclame!’
‘Oh. Waar?’
‘Net daar.’
‘Waar?’
‘Daar!’ Ik wijs erbij.
‘Goed verhaal!’
‘Wat?’
‘Ik zeg dat het een goed verhaal is!’
‘Voeg hier anders even uit!’, zeg ik, terwijl ik een beweging maak waarmee ik suggereer dat we het dak misschien dicht moeten doen.
‘Maar het is zo’n lekker weer!’
‘Wat?’ roep ik. Ik hoorde dit keer wel degelijk wat ze zei, maar ik ben het schreeuwen naar elkaar zat en dus doe ik alsof ik haar niet versta. Ze herhaalt het en weer doe ik alsof ik doof ben. bij de derde keer houdt ze middenin haar zin op, schudt ze haar hoofd en zet ze het knipperlicht naar rechts aan.
Als we het terrein oprijden van een wegrestaurant, gaat het lawaai om ons heen liggen.
‘Je moet iets aan die oren van je doen,’ zegt ze.
‘Wat?’
‘Je moet iets… ach, je zit weer te kutten’. Ze lacht niet, maar ik kan aan de gelaatsuitdrukking op haar gezicht zien dat ze het vanbinnen grappig vindt. Daarna vertelt ze me een kort verhaal over Daan die een paar dagen geleden een overdosis heeft gehad en dat ze zijn maag hebben moeten leegpompen en zijn bloed hebben moeten reinigen en dat hij bijna dood was en dat ik er binnenkort maar eens langs moest gaan.
Dan parkeert ze de auto en drukt ze op een knop waardoor het dak automatisch dichtklapt. Het gaat tergend langzaam. In de tussentijd grist ze haar mobiel uit haar tas op de achterbank en begint ze hevig een aantal woorden in te typen. Ik verdenk haar ervan dat ze in alle haast bijna ieder woord fout spelt. Niet dat dat er tegenwoordig nog iets toe doet, overigens.
‘Ik vond die oude leuker,’ zeg ik.
‘Wat?’
‘Die oude auto van je pa.’
‘Dat stuk schroot? Die zat helemaal onder de deuken en krassen.’
‘Viel wel mee.’
‘Nee, hij was echt in verschrikkelijke staat.’
‘Nou, ik vond dat zelf wel meevallen.’
‘Nou, papa niet.’
Ik zucht. ‘Papa niet, papa niet. Had je die oude van hem niet over kunnen nemen?’
Ze kijkt nu even op van achter haar telefoon. ‘Waarom zou ik? Hij is er zelf toch nooit. Ik kan dan net zo goed deze nemen, toch?’ Ze kijkt weer naar het schermpje. ‘Bovendien: er zaten krassen op.’
Zelf ziet zij het niet zo, maar naar mijn mening vertelden die krassen en deuken een verhaal. De metalen littekens zorgden ervoor dat de auto een emotionele meerwaarde had gekregen voor mij, juist vanwege het feit dat er weleens het een en ander mee was gebeurd. Zo zijn we bijvoorbeeld ooit met zijn tweeën redelijk aangeschoten teruggekomen van een feestje en overschatte ik mijn eigen rijkunsten, waardoor ik met de linkerautodeur langs een boom schuurde en daarna bijna een rivier inreed. Het is een van de verhalen waar we zo nu en dan nog steeds dubbel om kunnen liggen. Die auto had dingen meegemaakt; hij had mij op mijn best en op mijn slechtst gezien. Ik wil het haar allemaal vertellen, maar toch kies ik ervoor mijn mond te houden en rustig te wachten totdat het dak helemaal dicht is.
‘Kun je me nu wel verstaan?’ roept ze hard in mijn oor.
‘Jezus…’ Ik raak licht geïrriteerd.
‘Sorry lieffie’. Ze kust me op mijn wang. Ik hekel de toon waarop ze ‘lieffie’ zegt. Het klinkt kleinerend; alsof mijn ergernis er niet toe doet.
Dan haalt ze de handrem van de auto af en rijdt ze een stukje naar achteren om uit het parkeervak te komen. Tijdens dit kleine stukje vraagt ze me hoe mijn vlucht ‘trouwens nog’ was geweest.
‘Hè hè, eindelijk. Ja was goed.’
Ze zucht en stopt de auto. ‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Dat je me dat wel iets eerder had kunnen vragen. Dat is toch meestal het eerste wat je wil weten? ‘Hé lang niet gezien! Hoe is het ermee? En hoe was je vlucht?’, zoiets.’
‘Lekker boeiend. We zijn toch niet meer bij elkaar?’
‘Ja dus? Je bent je manieren toch niet vergeten?’
‘God, je lijkt mijn vader wel.’
‘Heb je misschien wel nodig, zo’n vaderfiguur.’
‘Wauw. Oké.’
Ik zucht. ‘Sorry,’ zeg ik. Even later, als ze een klein tikje op het gaspedaal geeft waarmee ze aangeeft dat ze mijn opmerking wil vergeten en vergeven, zeg ik: ‘maar je vroeg erom.’ Ze stampt weer op de rem.
‘Wanneer vroeg ik erom? Wanneer vroeg ik ‘hé, wil je alsjeblieft een kutopmerking maken over het feit dat mijn pa nooit thuis is’?’
‘Nou, niet zo letterlijk, maar het was meer je houding.’
‘Mijn houding. Gaan we weer hoor. Sorry dat ik in jouw wereld niet perfect ben.’
‘Luister, je zit alleen maar op je telefoon, je bent nauwelijks geïnteresseerd en je zit in mijn oor te schreeuwen. Maar ik aanvaard je excuses wel hoor.’
‘Wil je nog naar huis? Want ik zet je er hier uit en dan bekijk je het maar.’
‘Ja mama.’
‘Oh, vergelijk me NIET met je moeder. Over dat mens kan ik volgens mij wel een boek schrijven.’
‘Hou toch op. Jij weet niet eens hoe je het woord ‘excellentie’ schrijft, laat staan dat jij een paar honderd pagina’s vol kan schrijven over één persoon.’
‘Echt wel. E-X-E…’
‘Fout.’
‘Hou je bek!’ Ze slaat me op mijn schouder. Niet hard, maar het was wel haar intentie om me pijn te doen.
‘Doe anders dat dak maar weer open,’ mompel ik.
‘Wat?’
‘Niks, laat maar.’
Ze manoeuvreert de auto de parkeerplaats af en baant zich een weg de invoegstrook op. Voor ons rijdt een blauwe Opel, een kleiner model. Hij gaat niet bijster snel.
‘Hij durft niet in te voegen, zie je dat? Hé lul, rij door!’ zegt ze, al toeterend, ‘waarom is iedereen hier toch zo bang om in te voegen?’