Op gesprek

“Iedereen vertelt me, zowel gevraagd als ongevraagd, hoe het allemaal moet, maar er is verder niemand die me daadwerkelijk helpt.”

“Voelt dat zo voor je?”

“Ja.”

“En waaraan ligt dat, denk je?”

Hij draait zijn hoofd en werpt vanaf de bruine, leren sofa een vragende, bijna verontwaardigde blik naar haar.

“Dat weet ik niet, daarvoor kom ik juist naar jou toe.”

Ze blijft hem strak aankijken. Haar gelaatsuitdrukking is streng, maar haar gezicht is van nature vriendelijk waardoor haar expressie neutraliseert. Ze zit met haar benen gekruist en op haar bovenste knie balanceert ze een notitieblok door er met beide ellebogen aan weerszijden op te drukken. Met haar rechterhand houdt ze een balpen vast die ze tussen haar tanden klemt. Een brilletje aan een koordje met kleine glazen ligt op het puntje van haar neus. 

Hij draait zijn hoofd weer van haar weg en zucht. “Ik zou gewoon willen dat we niet allemaal in gefrustreerde stelletjes met elkaar leefden, maar juist als één geheel, één gezelschap met gelijkgestemden die de opvattingen der redelijkheid deelden. Dat mensen mij advies zouden geven waar ik wat mee zou kunnen en dat ik hen advies zou kunnen geven. Dat we elkaar samen sterker zouden maken in plaats van verzwakken en voor elkaar zouden zorgen. Dat we onderling heus weleens ruzie zouden hebben, maar we die kleinzerige, nare manier van met elkaar omgaan afwijzen. We zouden geen man of vrouw van elkaar zijn, er is geen bezit en er zou geen jaloezie of haat zou bestaan.”

“Ja, in zo’n wereld wil ik ook wel leven. Iedereen wil dat volgens mij wel. Maar helaas is dat niet de werkelijkheid. En jij moet weer je positie in de werkelijkheid zien terug te vinden. Anders ga je dit gevoel blijven houden.”

“Ach mens, laat me gewoon dromen.”

Ze zucht.

“Ja, dat kan ik je laten doen, maar dan blijven we iedere keer dat je hier komt in hetzelfde hangen. En ik ben niet gratis, dat weet je, daar heb ik ook al genoeg opmerkingen van je naar mijn hoofd gesmeten gekregen. Dus op die manier wordt dit dan inderdaad een bodemloze wensput waar jij iedere week maar weer je goed verdiende centen in blijft gooien.”

“Wat als ik dat nou wil?”

Ze kijkt naar de klok. Dan legt ze haar notitieblok neer, haalt ze haar pen uit haar mond en zet ze haar bril af.

“Dan verandert er niks en begin je volgende week weer over hetzelfde. Sterker nog, ik kan me dit verhaal dat je zojuist afstak nog herinneren. Je vertelt dit iedere week. Het is telkens net iets anders qua vorm; het is niet woord voor woord hetzelfde, maar het is iedere keer iets soortgelijks, een ‘wat als’-scenario. Je begrijpt hopelijk toch wel dat ik hier ook niet op zit te wachten? Dat iedere keer als ik jouw naam zie staan in mijn rooster, ik weer denk: dat wordt weer klokstaren voor de komende drie kwartier?”

“Nou, voor dat salaris van je zou ik het er wel voor over hebben.”

Ze valt achterover in de rugleuning van de stoel en schudt haar hoofd.

“Je bent echt ongelooflijk.”

Hij draait zich nu op zijn zij naar haar toe.

“Jij begint met een waardeoordeel. Sinds wanneer is dat toegestaan? Ik weet toch zeker dat een van de dingen die jij aan het begin vertelde was, en ik citeer: “je kunt hier alles kwijt, ik ben hier niet om te oordelen, maar juist om je te helpen”. Waar is die hulp nu?”

“Als je niet ziet hoe hard ik geprobeerd heb om je te helpen, heb je echt een bord voor je kop.”

“Jij begrijp me niet eens. Ik zie het wel aan je. Je bent hartstikke klaar met me. En sterker nog, je was al klaar met me toen ik hier voor het eerst binnen kwam lopen. Ik zag het aan je ogen, de manier waarop je naar me keek is niets verandert met nu. Je zit vol met oordelen en onjuiste aannames. Hoe kan het anders dat ik al weken hetzelfde verhaal tegen je vertel? Hoe kan het dat ik nog steeds geen steek verder ben?”

“Dat weet ik niet.”

“Dat weet je niet? Jij bent hiervoor opgeleid en je weet het niet? Weet ik ook weer waar ik mijn belastingcenten voor betaal als dit het resultaat is.”

Hij gaat weer op zijn rug liggen, legt beide handen op zijn gezicht en veegt het traag af. Zijn ogen openen langzaam als zijn vingers zijn oogleden zijn gepasseerd. Dan zucht hij diep en zegt: “Je luistert niet.” Hij slaat met beide handen naast zich op het leer van de sofa.

“Ik hoopte op oplossingen, Annemiek. Simpelweg oplossingen. Maar ik denk dat jij me die niet bieden kan, dat ik daar zelf maar naar op zoek moet. En dat frustreert me.”

“Dat begrijp ik.”

Dan zucht hij weer. “Ik zie dat de tijd om is.”

Ze kijkt op. “Dat klopt.”

Hij staat langzaam op, schuifelt naar de kapstok en trekt zijn jas aan.

“Dezelfde tijd volgende week?”

“Dezelfde tijd, meneer Arends.”

“Tot dan.” En hij loopt de deur uit. 

Haar receptioniste komt de kamer binnengelopen. Ze hoeft haar maar aan te kijken om te weten hoe het gesprek was gegaan. “Heb je even tijd nodig voordat ik de volgende binnenroep?”, vraagt ze.

“Nee, het gaat wel.”

“Weet je het zeker?”

“Ja. Het was een lastig gesprek, maar dat is het bij hem altijd.”

“Weer geen vooruitgang?”

“Dat wel. Hij heeft het geen moment over zijn vrouw gehad. Dat is voor het eerst. Ik schrijf dit nog even af, laat de volgende maar binnenkomen over vijftien minuutjes.”

“Is goed. Laat maar weten als je iets nodig hebt, koffie of zo.”

“Koffie lust ik wel.”

“Komt eraan.”

Dan doet ze de deur achter haar dicht.

Plaats een reactie

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close