Een licht, feller dan hij ooit heeft gezien, explodeert in het midden van zijn gezichtsveld. De kleine stip, die wat lijkt op een Poolster, spreidt zich in een rap tempo over zijn gehele blikveld uit. Een zuigende kracht trekt hem naar binnen om hem daarna te begroeten met niets meer dan complete duisternis. Een plek zo donker, dat het idee van het hele bestaan van licht hem voor een ogenblik compleet ontgaat. Dan opent hij zijn ogen, langzaam. Hij knippert een paar keer en ziet zijn visie daarmee steeds scherper worden. Hij kijkt naar beneden, naar zijn naakte, doch gezonde lichaam.
Hij staat. Dat gegeven alleen is al een wonder. Nog niet veel meer dan een aantal tellen terug had hij al weken niet meer gelopen. Ongeveer een jaar geleden kreeg hij zijn diagnose: kanker, uitgezaaid tot ieder lichaamsdeel denkbaar. Op welke plek het precies begonnen was, was hij allang vergeten, maar dat hij vanaf het eerste moment was afgeschreven, was duidelijk.
De dokter had hem hooguit één maand gegeven. Een maand later, gaf hij hem er twee extra, als zijnde een gul cadeautje van de beste man in de witte jas. Weer twee maanden later, had hij hem een week gegeven. Een week die de dokter niet eens zelf meer zou meemaken, want die werd een dag later geplet tussen een ijscowagen en een Hummer. Diagnose: opslag dood. De nieuwe dokter had hem geen diagnose meer durven geven, want dat leek zinloos. Daarnaast was hij enigszins bijgelovig en wilde hij niet hetzelfde lot als zijn collega ondergaan. Dus in plaats daarvan behandelde de dokter hem net zolang totdat hij niet meer kon. Afijn.
Zijn laatste maand had hij thuis gelegen, omringd door goede vrienden en familie. Zijn vrouw, nooit veranderd en nog altijd in het bezit van de oprechte schoonheid die hem vanaf moment één zo had aangetrokken tot haar, was altijd bij hem gebleven. Zijn twee zoons, beide van rond de twintig, waren ook iedere dag bij zijn bed te vinden. “Moeten jullie niet werken?” had hij hen vaak met een vermoeide grijns op zijn gezicht gevraagd.
Zijn zoons waren er twee om trots op te zijn. Allebei ondernemende types, net zoals hij dat zelf ook was. Zo had hij een flink imperium opgebouwd in de handel van industrial designmeubelen tijdens zijn veertiger jaren, met als doel dat hij op zijn vijftigste al mooi van zijn pensioen kon genieten en de wereld af kon reizen. Het had hem vijf jaar langer geduurd dan gepland, maar gelukt was het wel. In de jaren daarna zag hij met zijn vrouw de Taj Mahal in India, ging hij op safari in Zuid-Afrika en bezocht hij het nog altijd mysterieuze Paaseiland en Macchu Picchu dichtbij Peru. Om maar een paar voorbeelden te noemen.
Hij had gepland om tot zijn zeventigste te reizen, maar dat ging helaas niet door toen hij op zijn 62e werd opgenomen in het ziekenhuis. “Soms heb je geluk en soms heb je pech,” had hij nog ietwat lacherig gezegd, terwijl zijn jongste zoon in huilen uitbarstte.
Maar nu stond hij daar dus opeens, kerngezond en poedeltje naakt. Om hem heen een witte achtergrond, de vloer zacht als wolken. Voor hem staat een man met een witte baard in een witte mantel met daarachter een grote, gouden poort. Hij lacht vriendelijk.
“Welkom, meneer Garland.” Zijn stem is rustgevend, iets wat meneer Garland irriteert. Hij klinkt als een yoga-instructeur en daar moest hij het op aarde al niet van hebben.
“Hallo. Wat is dit?”
“U bent zojuist overleden.”
“Goh.”
“Ja, u zult wel gechoqueerd zijn.”
“Nou, niet echt. Het zat er al een tijdje aan te komen hè.”
“Zeg dat wel, ja.”
“Luister vriend, wat is dit?”
“U staat aan den hemelpoort. U heeft uw leven zodanig goed geleefd, dat u zich hier tot in de oneindigheid mag begeven. Alles wat uw hartje begeert, zult u hier vinden.”
“Maar ik was helemaal geen christen.”
De man lacht.
“U bent goudeerlijk. Dat heb ik altijd zo bewonderd aan u. U hoeft geen christen te zijn om een goed mens te zijn. Voor ons is ieder goed mens een christen.”
“Klinkt bezitterig, als je het mij vraagt. Maar het was dus al die tijd allemaal waar?”
Hij lacht weer. Hij lacht alsof hij alles heeft gezien, maar nooit iets zelf heeft meegemaakt.
“Ik vrees van wel.”
“Hoezo vrees?”
“Nou, u heeft geluk, maar er zijn ook mensen die minder gelukkig zijn. Ziet u, de hel bestaat ook.”
“Zitten daar die tweeënzeventig maagden?”
“Nee. Daar zitten enkel mensen die branden tot in der eeuwigheid.” Zijn gezicht is plots heel ernstig als hij dit zegt. “Zullen we?” vraagt hij, nu breed lachend en gebarend naar de poort.
Garland loopt voor de man met de baard uit terwijl de poort zich langzaam voor hem opent.
“Jij bent dus Petrus, neem ik aan?”
“Correct.”
“Mijn naam is-”
“Ik weet wie u bent, Wim.”
“Maar natuurlijk.”
Een oase opent zich voor hem. In het midden ziet hij een fontein met het meest heldere water dat hij ooit heeft gezien. Engelen zitten op de rand en in het water wast een aantal bloedmooie, naakte vrouwen zich. Met een van hen houdt hij oogcontact. Ze lacht. Dan kijkt hij naar links, waar de eerste vestiging van zijn industrial designmeubelenwinkel staat. Hij loopt ernaartoe en kijkt door het raam. Daar staat hij, een jongere versie van zichzelf, achter de toonbank.
“Mooie tijd, nietwaar? U was hier net begonnen.”
Hij ziet dat zijn vrouw hem van achteren omhelst en een kus op zijn wang geeft.
“Mooie tijd, inderdaad.”
“Zou u er niet naar terug willen gaan? Verlangt u daar niet naar?”
Hij lacht. “Nee, het was een mooie tijd, maar tijd is er niet om oneindig in te bestaan.”
Dan ziet hij om de hoek van het gebouw ineens een aantal bankbiljetten wegvliegen. Hij loopt er naartoe en ziet een enorme stapel briefgeld liggen. “Wat is dit?”
“Dat is al het geld dat je ooit hebt verdiend. Is het niet prachtig?”
“Het is aardig om te zien, maar geld is ook maar geld.”
“Is dat zo? Het heeft zo te zien best een grote rol in je leven gespeeld.”
“Jawel, maar als ik het met niemand had kunnen delen, was het net zoveel waard geweest als wat het nu is: een stapel oud papier.”
“Je zou er wel al die lekkere dingen van kunnen kopen hier.”
Hij wijst naar een lange tafel die tot aan de horizon reikt en bedekt is met eten. Alles waar hij zijn hele leven lang van heeft gehouden, ligt daar. Hollandse pot, zoals speklappen, erwtensoep en hutspot, maar ook een grote pan Indische curry, oneindig veel Spaanse tapas, Napolitaanse pizza’s (want die uit Napoli smaken het beste) en stokbroden met een scala aan verrukkelijke, Franse kazen. Hij kijkt likkebaardend naar de tafel, maar zegt dan toch: “misschien straks.”
“Het is misschien allemaal wat veel. Rust anders even uit, hier op dit schitterende bed.”
Wim ziet het nu pas. Achter hem staat een fraai, overdekt tweepersoonsbed. Het beddengoed is spierwit en de openstaande gordijnen lijken tot hem te spreken: “kom liggen, al is het maar voor even.”
Hij besluit dat hij inderdaad even bij wil komen van alle indrukken en klimt erin. Nu pas voelt hij dat het een waterbed is, eentje die niet te ver indeukt, maar wel eentje waar je een klein beetje in kunt zakken: precies goed.
“Geweldig,” zegt hij, als hij zijn handen achter zijn hoofd op het kussen legt en zijn benen kruist. Petrus staat naast zijn bed en overhandigt hem een spiegel. “Kijk hoe mooi u bent.” Het klinkt vreemd om toe te geven, maar het is waar. Voor het eerst sinds tijden ziet hij zichzelf, gezond en wel. Hij lijkt ook opeens een stuk jonger te zijn geworden. Een mooie, blonde dos haren en een huid zonder enig rimpeltje is in de spiegel te zien. Hij grijnst naar zijn eigen gezicht en speelt wat met zijn haar. Dan kijkt hij naar zijn lichaam en ziet ineens dat zijn torso ontzettend gespierd is, zo eentje die normaal gesproken enkel voor filmsterren is weggelegd. Ook zijn penis is op de een of andere manier een stuk groter dan hij hem altijd had voorgesteld. Niet dat hij met het vorige exemplaar niet tevreden was, maar het valt hem toch op. “Het is niet slechter of beter,” zou zijn vrouw hebben gezegd. “Dit had ik net nog niet, toch?” vraagt Wim aan Petrus.
“Nee, maar u bent nu hier, in den hemel. Hier is alles anders.”
Dan vangt zijn blik plots een schandpaal in de verte met daaraan een kind dat is vastgebonden. Uit een reflex springt hij op uit zijn bed en rent hij ernaartoe. Als hij het kind nadert, begint hij het ergens van te herkennen, maar hij weet niet waarvan. “Help me!” roept Wim tegen Petrus, als hij het kind probeert los te maken. Het touw zit echter zo strak, dat hij de jongen niet loskrijgt. “Kent u hem niet?” vraagt Petrus, die ineens naast hem staat.
“Waarvan zou ik hem moeten kennen?”
“Dat is Erik. Van de basisschool.”
“Erik? Maar dat is zo lang geleden.” Wim blijft aan de touwen trekken die om de polsen van het jongetje gewikkeld zitten.
“Weet u nog wat hij met u deed? De vernederingen, de scheldpartijen, het uitlachen, de klappen. Alles om u kleiner te maken dan u al was.”
“We waren kinderen.”
“Toch, stoute kinderen moeten straf. Stoute kinderen moeten straf.”
En terwijl Petrus dit herhaalt, vat de onderkant van de schandpaal vlam. Het kind kijkt naar beneden. In zijn wijd geopende ogen worden zijn pupillen omringt door een overmaat aan oogwit. Zijn voorhoofd is bedekt met zweet en hij probeert zichzelf in een wanhoopspoging los te rukken van de paal. De vlammen worden groter en komen hoger. Zij tenen beginnen te verschroeien. Het gekrijs van het kind wordt opgevangen door het doek dat om zijn mond gevouwen is. Met man en macht probeert Wim hem los te maken, maar tevergeefs. “Stop! Stop!” schreeuwt hij naar Petrus, maar de vlammen blijven groter worden en als hij zelf de hitte voelt, kan hij niet anders dan wegspringen. Het kind krijst het uit, maar als een mantra blijft Petrus herhalen: “stoute kinderen moeten straf.”
“Waar de fuck ben ik?” schreeuwt Wim tegen Petrus, tranen van zijn wangen rollend. Voor het eerst ziet hij Petrus grijnzen. De vlammen weerspiegelen in zijn ogen die gefixeerd blijven op het krijsende kind, doof voor zijn pijn.
“Ik ben enkel een verbeelding van uw onderbewuste, van hoe u daadwerkelijk dacht dat de dood eruit zou zien. Dit alles is de belichaming van uw wereldvisie, uw gedachte. Ziet u, u bent al die tijd een christen geweest, al zei u tegen iedereen die u tegenkwam dat dat niet zo was. U heeft anderen misschien voorgelogen, maar mij, aldus jij, houdt u niet voor de gek. Tijd bestaat niet meer, u bent gevangen in één moment: het moment dat u overleed. En daarin leeft u de rest van uw leven, in de gedachtewereld die u zelf al die jaren gebouwd hebt. Dit alles doet u zelf. U verbrandde dat kind.” Hij wijst naar het inmiddels zwartgeblakerde kadaver.
“En wat als ik nu verander van gedachte? Kan dat nog?” stamelt Wim.
Petrus schatert van het lachen en kijkt hem dan aan met bloeddoorlopen ogen. “Nooit.”
Dan schrikt hij wakker, badend in zijn eigen zweet. Zijn ademhaling is luid en op hoog tempo. Het voelt alsof iemand zijn strot een halve minuut lang heeft dichtgeknepen. Hij doet zijn nachtlampje aan en drinkt uit het glas water dat op zijn nachtkastje staat.
“Had u weer een slechte droom, meneer Garland?”
Een zuster staat bij het voeteneind van zijn bed.
“Ja,” zegt hij.
“Wat vervelend.”
“Nogal.”
“Wil je proberen verder te slapen of een rondje lopen?”
“Ik wil wel een rondje lopen.”
“Kom maar.”
Ze tilt hem overeind aan zijn elleboog en brengt het infuusrek naar hem toe. Hij pakt het vast en trekt zichzelf uit bed. Dan lopen ze samen de gang in.